UvA homepage UvA homepage
Zoekresultaten

Bachelor Sociale Geografie en Planologie

Voltijd - Dagonderwijs

Onderwijsinstituut
College Sociale Wetenschappen
Studielast
180
Duur
3
Voertaal
Nederlands
Inlichtingen
dhr. J. Stammes
Nieuwe Prinsengracht 130
+31 20 5255087
De studie
Studieschema OER
Vooropleiding - Inhoud - Ingangseisen en Programma - Studieschema - Doorstroommogelijkheden - De keuzeruimte - De specialisaties - Scriptieprojecten 2012-2013 - Honoursprogramma - Belangrijke informatie voor studenten

De studie

De specialisaties

Specialisaties binnen de opleiding Sociale geografie en planologie

De opleiding Sociale geografie en Planologie van de Universiteit van Amsterdam biedt vanaf het tweede studiejaar drie specialisaties aan. Een specialisatie bestaat uit een samenhangend geheel van vakken van 36 EC binnen een bepaald thema. De thema’s sluiten aan bij de onderzoeksexpertise van de docenten. De specialisatie van ten minste 36 punten bestaat verplicht voor 12 EC uit een Basisspecialisatievak (vak op 200 niveau) en kan vervolgens ingevuld worden met (ten minste) 24 EC aan overige vakken uit de gekozen specialisatie.

Tussen de specialisaties bestaat overlapping: basisspecialisatievakken zijn tevens keuzevak in een of meerdere trajecten en de meeste trajectkeuzevakken kunnen binnen meerdere trajecten worden gekozen. Samen met de vrije keuzeruimte in het derde studiejaar kan iedere student zich zo in de door hem of haar gewenste richting profileren. Studenten kunnen in de vrije keuzeruimte trajectvakken (kern- en keuzevakken) volgen of de vrije keuzeruimte vullen met vakken of een minor van een andere opleiding of een semester studeren aan een buitenlandse universiteit.
Studenten kunnen een keuze maken uit de volgende specialisaties:

  • Specialisatie Planologie
  • Specialisatie Sociale Geografie
  • Specialisatie Internationale Ontwikkelingsstudies

Specialisatie Planologie

Inhoud

Stedelijke regio’s als de Noordvleugel van de Randstad ondergaan grote veranderingen. Woning- en kantoormarkten laten niet alleen processen van schaalvergroting richting een regionale schaal zien, tegelijkertijd is er sprake van een structurele ruimtelijke reorganisatie in de richting van een ‘netwerksamenleving’. De centrale stad is al lang niet meer de natuurlijke top van de functionele hiërarchie voor diverse functies. Het economisch ‘hart’ van de Amsterdamse regio bijvoorbeeld loopt tegenwoordig immers van Schiphol, via de Zuidas naar Amsterdam Zuidoost. De culturele sector is echter nog steeds stevig geworteld in de binnenstad. Er ontstaat kortom een ‘nieuwe geografie’ waarbij schaalvergroting gepaard gaat met grotere differentiatie tussen plaatsen binnen de regio. Verder wordt het onderscheid tussen stedelijke en landelijke gebieden minder sterk. Er ontstaan steeds meer gebieden die noch stedelijk noch landelijk zijn in de traditionele zin van het woord.

Niet alleen verandert ruimtelijke samenhang en ontstaan er nieuwe patronen op regionaal schaalniveau. Stedelijke regio’s zelf zijn in steeds sterkere mate knooppunten in (inter)nationale netwerken van relaties. De (toekomst van de) Zuidas is direct verbonden met de ontwikkelingen in de financiële dienstverlening die sterk mondiaal is georganiseerd. Dit soort locaties zijn daarmee onderdeel van een mondiale ‘space of flows’. De Amsterdamse regio concurreert op het terrein van financiële dienstverlening met Londen, Frankfurt, Brussel etc. Bij de planning van stedelijke regio’s moet dus tegelijkertijd rekening worden gehouden met nieuwe vormen van ruimtelijke samenhang op regionaal niveau als met de plaats die de regio inneemt in grotere verbanden. Het in goede banen leiden van ruimtelijk ontwikkeling stelt nieuwe uitdagingen aan de strategische ruimtelijke planning op regionaal niveau.
Al deze ontwikkelingen leiden tot een bijna continue druk op de ruimte en vragen over het meest efficiënte ruimtegebruik. Steden transformeren voortdurend en dat uit zich in het bestaande en nieuw te ontwikkelen vastgoed en de daarin uitgeoefende activiteiten. De bestaande stad (gebouwen, infrastructuur, openbare ruimte etc) veroudert, terwijl tegelijkertijd de vraag naar ruimte verandert en vaak explosief stijgt. Voor een deel vindt deze vraag ruimte aan de rand van de stad, resulterend in aanpassing van de stedelijke structuur door toevoeging van bijvoorbeeld nieuwe woonwijken en bedrijfsterreinen. Dat heet dan stadsuitleg of verstedelijking. De ruimte aan de randen is echter te schaars om alle vraag te accommoderen. Voor een ander deel is transformatie van reeds eerder bebouwde gedeelten van de stad nodig. Het kan dan enerzijds gaan om functieveranderinglocaties, waar stationsemplacementen, haventerreinen, kazernes, fabrieken en grootschalige voorzieningencomplexen niet meer nodig zijn en omgevormd kunnen worden tot bijvoorbeeld infrastructurele sleutelprojecten, waterfronten en grootschalige projecten op het terrein van leisure en/of retail. Anderzijds ligt de opgave bij herstructureringslocaties, woongebieden die niet meer meekunnen, zoals het recente beleid om van probleemwijken prachtwijken te maken. Zowel bij de stadsuitleg als bij de transformatie blijkt het bestaande grondbezit (incl. het daarop staande vastgoed) vaak cruciaal voor de planinhoud en ontwikkelingsmogelijkheden. Verschillende aspecten van de planologie zijn belangrijk bij deze uitbreidings- en transformatieprocessen: publiek-private samenwerking en contracten, werking van grondmarkten, vastgoedontwikkeling, financiering via grondexploitaties, etc.

De (wederkerige) samenhang tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit hebben speciale aandacht in de specialisatie Planologie, specifiek in het verplichte vervolgspecialisatievak Ruimte en Mobiliteit. Centraal staat hier de relatie tussen verkeer en vervoer en verstedelijking. Deze principiële keuze werkt door in andere, aan elkaar gerelateerde uitgangspunten: Vervoersystemen zijn geen doelen op zich, maar zijn er om mensen, activiteiten en locaties te verbinden, en aldus een meerwaarde te bieden. ‘Steden maken’ is het uiteindelijk doel van vervoersystemen, want steden bestaan in hoge mate bij de gratie van allerlei functionele interacties die tot uitdrukking komen in verkeer, vervoer en infrastructuur. Het begrip ‘bereikbaarheid’, in de zin van ‘kansen binnen bereik’ vangt het best deze vereiste kwaliteit van vervoersystemen. ‘Kansen’ zoals banen, voorzieningen, sociale contacten, werknemers, klanten, zakelijke relaties komen daarmee ‘binnen bereik’, met name in de zin van binnen acceptabele reiskosten en -tijd. Het identificeren en tot stand brengen van een adequate bereikbaarheid is de overkoepelende ambitie van de vervoersplanologie en -geografie. ‘Adequaat’ staat voor geschikt om bovengenoemde kansen binnen bereik te brengen, maar ook voor verantwoord omgaan met schaarse hulpbronnen zoals geld, organisatorisch vermogen, ruimte en infrastructuur, energie, een stabiel klimaat of leefbare omgevingen. Meer in het bijzonder voor de vervoersplanologie, vergt dit de ontwikkeling van gereedschappen (concepten, methodieken) voor interactieve beleidsanalyse èn -ontwerp. ‘Analyse èn ontwerp’ omdat de integratie tussen deze twee aspecten van het beleidsproces cruciaal is en ook vaak veronachtzaamd wordt. ‘Interactief’ omdat zonder het erbij betrekken van de belanghebbenden geen echte verandering mogelijk is.

De uitdaging in de specialisatie Planologie is altijd de vraag welke rol planning kan en moet vervullen? Deze vraag heeft ten eerste een institutionele en politiek geografische dimensie. Hoe zijn posities van verschillende partijen ten opzichte van elkaar geordend? En, hoe passen die bij de nieuw ontstane ruimtelijke werkelijkheid? Ten tweede is er dringend behoefte aan strategievorming op regionale schaal die vernieuwend is ten opzichte van de traditionele vormen van regionale planning. Alternatieve vormen van regionale planning zijn pro-actiever en gericht op ‘framing’ en coalitievorming; dat wil zeggen het agenderen van ruimtelijke vraagstukken die door betrokken stakeholders – publiek en privaat - samen van een oplossing moeten worden voorzien. Ten derde is een projectmatige aanpak steeds belangrijker als strategie om problemen op te lossen en ruimtelijke kwaliteit te realiseren.

Beroepsperspectief
Het beroepsperspectief ligt in een grote variëteit aan functies bij gemeentelijke, provinciale en rijksoverheid, particuliere adviesbureaus, onderzoeksinstellingen, woningcorporaties, projectontwikkelaars en beleggers.

De vakken
Studenten volgen de basisspecialisatievakken in de perioden 1 en 2 van het eerste semester. Studenten volgen 1 trajectkeuzevak in periode 1 van het eerste semester, 2 trajectkeuzevakken in periode 4 van het tweede semester en 1 trajectkeuzevak in periode 5 van het tweede semester.

De specialisatie Planologie bestaat uit de volgende onderdelen met de daarbij vermelde studielast :

Niveau  Naam onderwijsonderdeel   Aantal EC  Periode  
200  Basisspecialisatievak Ruimtelijke Planning Stad en Regio (12 EC)  12  1 en 2 
300  Ruimte en Mobiliteit (12 EC)  12  4 en 5 
300  Spatial implications of environmental change (12 EC)  12  4 en 5 
300  Bevolkingsdynamiek en Migratie I (6 EC) 
300  Bevolkingsdynamiek en Migratie II (6 EC) 
300  Financial Geography (6 EC) 
300  Perspectives on Home and Housing (6 EC) 
300  Stad, tijd en ruimte (6 EC) 
300  Wonen en Woonbeleid (6 EC) 
300  Cities in Transformation (6 EC) 

Specialisatie Sociale Geografie

Inhoud

Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in de stad. Die is een onmisbare machine voor emancipatie en vooruitgang, maar kent ook tal van problemen. In de specialisatie sociale geografie is de fascinatie voor dynamiek in stedelijke samenlevingen het vertrekpunt. Wordt gekozen voor de basisspecialisatie stadsgeografie dan wordt hier ingegaan op vraagstukken rondom de voorwaarden voor de ontwikkeling van moderne culturele, attractieve kennissteden: welke steden worden gekenmerkt door groei en bloei; en welke door krimp en stagnatie? Hoe vallen de verschillen te verklaren? Wat zijn de achtergronden van sociale vraagstukken in steden? Hoe verlopen de integratie en segregatieprocessen en wat zijn hier de bepalende factoren? Welke aanbevelingen kunnen we geven aan onze politici, die zo sterk met deze vragen worstelen? Het soort vraagstukken dat hier is genoemd, heeft een langere geschiedenis dan veel beleidsmakers vermoeden; bovendien zijn de vraagstukken niet beperkt tot onze directe leefomgeving, maar doen ze zich ook elders in de wereld voor. Door ontwikkelingen in een historisch perspectief te bezien en door ook naar ervaringen elders te kijken, valt er veel te leren over de vragen die zich thans in eigen omgeving voordoen. Zo ging het al in de 19e eeuw om integratievraagstukken in de stad, bijvoorbeeld over de integratie van Friezen die in Amsterdam en Brabanders die in Rotterdam werk zochten en een plek om te wonen. Tegenwoordig staat de integratie van met name Turken, Marokkanen en andere niet-westerse groeperingen centraal.

De verklaring voor deze vraagstukken lijkt soms voor de hand liggend, maar vaker blijkt er omvangrijke discussie te bestaan over de vraag hoe bepaalde ontwikkelingen tot stand komen. Een goed begrip van de achtergronden van de ontwikkelingen is essentieel, omdat pas dan de juiste maatregelen kunnen worden getroffen om de vraagstukken op te lossen. In veel gevallen, in Nederland, maar ook daarbuiten, wordt al snel voor ruimtelijke ingrepen gekozen om stedelijke vraagstukken op te lossen. Toch moet de vraag gesteld worden of het ruimtelijk beleid eigenlijk wel invloed heeft op het beter functioneren van steden en op het tegengaan van – mogelijk – ongewenste bevolkingsontwikkelingen? Moeten we sociale problemen als eerste oplossen door de woningvoorraad in een wijk aan te passen of moeten we de blik richten op globalisering en economische herstructurering als verklaringen voor sociale problemen? Behalve vragen over de oorzaken van stedelijke ontwikkelingen (zoals segregatie), zijn er ook essentiële vragen over de gevolgen voor de bewoners die ermee te maken hebben. Heb je als kind slechtere vooruitzichten als je in een zwakke buurt opgroeit dan wanneer je in een sterke buurt opgroeit? En wat is eigenlijk een zwakke buurt? Welke verschillen doen zich voor tussen regio’s, steden en buurten, hoe ontstaan die verschillen, wat is de rol van verhuizingen en van buitenlandse migratie, en wat zou je aan de positie van de buurt kunnen veranderen? In dit traject beschouwen wij de stad én de stedelijke regio in samenhang.

De basisspecialisatie Politieke en Economische Geographieen van Mondialisering analyseert steden en regio’s en staten in een breder politiek en economisch verband. Stedelijke gebieden zijn bijvoorbeeld belangrijke knopen in zich internationaliserende handelsnetwerken. De concentratie van audiovisuele bedrijven in Amsterdam en Hilversum; de effecten van de aanleg van nieuwe infrastructurele voorzieningen op relaties tussen bedrijven in een grootstedelijke regio als de Randstad; de rol van de “culturele atmosfeer” in een stad op het vestigingsklimaat voor bedrijven en de aantrekkingskracht op toeristen; de Randstad als een cluster van ‘knopen’ van ‘global commodity chains’. Dit zijn tal van fascinerende ontwikkelingen in een mondialiserende wereld die aandacht krijgen in deze specialisatie. Maar zorgt mondialisering er ook voor dat het gezag dat staten uitoefenen over mensen en activiteiten op hun grondgebied vermindert? Worden de culturele verschillen tussen continenten kleiner of is juist sprake van het omgekeerde, een zogenaamde ‘clash of civilizations’? Vaak worden territorialiteit en mondialisering stilzwijgend opgevat als twee tegengestelde verschijnselen waarbij een meer van het één automatisch een minder van het andere betekent. Dit is niet juist, mondialisering is iets dat zich binnen staten afspeelt. Bovendien zijn staten nodig om een mondiale wereldorde te laten functioneren; ze moeten controleren en reguleren aangezien er geen wereldleger of wereldpolitie bestaat. Wat wel nieuw lijkt in de huidige wereld is een ‘re-territorialisering’ waarbij nieuwe territoriale eenheden ontstaan als verlengstuk van de staat zoals de ‘Europese Unie’ of een stedelijke regio die de staat toegang geeft tot een internationaal netwerk (glocalisering). De uitoefening van politieke invloed buiten de staatsgrens verloopt niet meer louter via diplomatiek verkeer maar ook via economische relaties of veiligheidsnetwerken bijvoorbeeld in de sfeer van de strijd tegen het terrorisme. Hierbij ontstaan geheel nieuwe ‘non-state’ sferen zoals het Guantanamo gevangenenkamp. Er is dus op het gebied van territorialiteit van alles aan de gang maar zeker niet dat territorialiteit op zich verdwijnt. Dat blijkt ook uit de opkomst van sterk nationaal gereguleerde economieën zoals China en Rusland.

In de vervolgspecialisatievakken worden thema’s uit deze twee basisspecialisatievakken nog verder uitgewerkt in vakken rondom de thema’s (historische) stadsgeografie, financiële geografie, politieke geografie en milieugeografie.

Beroepsperspectief
De beroepsmogelijkheden voor studenten met de specialisatie Sociale geografie zijn ruim. De meeste afgestudeerden gaan aan de slag als beleidsmedewerker, consultant of onderzoeker bij instellingen van de overheid (ministeries, gemeenten), bij onderzoeksbureaus in de marktsector, woningcorporaties, projectontwikkelaars, NGO’s en dergelijke.

De vakken
Studenten volgen de basisspecialisatievakken in de perioden 1 en 2 van het eerste semester. Studenten volgen 1 trajectkeuzevak in periode 1 van het eerste semester, 2 trajectkeuzevakken in periode 4 van het tweede semester en 1 trajectkeuzevak in periode 5 van het tweede semester.

De specialisatie Sociale Geografie bestaat uit de volgende onderdelen met de daarbij vermelde studielast:

Niveau  Naam Onderwijsonderdeel  Aantal EC  Periode 
200  Stadsgeografie, stedelijke dynamiek en stedelijk leven (12 EC)  12  1 en 2 
200  Basisspecialisatie Staten en Steden: Politieke en Economische Geographieën van Mondialisering (12 EC)  12  1 en 2 
300  Spatial implications of environmental change (12 EC)  12  4 en 5 
300  Bevolkingsdynamiek en Migratie I (6 EC) 
300  Bevolkingsdynamiek en Migratie II (6 EC) 
300  Financial Geography (6 EC) 
300  A Political Geography of the European Union (6 EC) 
300  Perspectives on Home and Housing (6 EC) 
300  Environment and Sustainable Development (6 EC) 
300  Stad, tijd en ruimte (6 EC) 
300  Wonen en Woonbeleid (6 EC) 
300  Cities in Transformation (6 EC) 

Specialisatie Internationale Ontwikkelingsstudies

Inhoud
Het proces van globalisering leidt enerzijds tot een steeds verdergaande intensivering van politieke, economische en sociale relaties tussen verschillende delen van de wereld en anderzijds tot allerlei vormen van aanpassing en verzet op lokaal niveau. Deze toenemende interdependentie komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de druk vanuit het Zuiden op het zogenaamde ‘Fort Europa’ om openstelling van hun markten en afschaffing van de landbouwsubsidies, maar ook in de overdracht van de milieukosten van overdadige consumptie in het Noorden naar mensen en hulpbronnen in het Zuiden. In veel ontwikkelingslanden botsen de belangen van traditionele heersende elites steeds vaker met de claims van gemarginaliseerde groepen in de samenleving. Soms nemen die confrontaties een gewelddadige vorm aan en zijn ze omgeven met etnisch-regionale sentimenten. Het samenspel van globale en lokale krachten heeft aan het einde van het tweede millennium tot geheel nieuwe verdelingen van macht en rijkdom geleid. Terwijl de armoede in grote delen van Afrika verder om zich heen grijpt, doen verschillende landen in Azië en Latijns Amerika het juist relatief beter. De reorganisatie van de wereldeconomie (met bijvoorbeeld de opkomst van China en India) leidt tot een hernieuwd belang van een serie wereldsteden die als de commandoposten in de organisatie van de productie fungeren en de vestigingsplaats vormen van leidinggevende financiële instellingen en gespecialiseerde diensten. Tegelijkertijd geraken andere steden, met name de oude havensteden en industriesteden, in verval, niet alleen in ontwikkelingslanden, maar ook in Westerse landen. Tenslotte is er sprake van een wereldwijde verscherping van economische tegenstellingen binnen landen en binnen steden. Er wordt tegenwoordig gesproken over ‘nieuwe armoede’ en ‘sociale uitsluiting’ die het gevolg zijn van economische marginalisering en de erosie van allerlei vormen van sociale zekerheid.

In de Introductory Course IDS wordt de student bekend gemaakt met de voornaamste stromingen in het ontwikkelingsdenken (bijvoorbeeld: mainstream development, alternative development, post-development), de voornaamste actoren hierin (bijvoorbeeld: Verenigde Naties, Wereldbank, IMF) en de instrumenten voor ontwikkelingsbeleid. Dit vak beoogt tevens studenten inzicht te laten krijgen in de manier waarop visies gekleurd worden door de belangen en overtuigingen van onderscheiden actoren, onder andere van die in de ontwikkelingssamenwerking. Door (groepen) studenten op te dragen de verschillende posities van de betrokken actoren/instituties zelf te onderzoeken en door gastsprekers uit de praktijk, wordt een actieve verwerking van de stof gestimuleerd. In een aantal keuzevakken kunnen studenten zich verder specialiseren in deelonderwerpen binnen internationale ontwikkelingsstudies (bijvoorbeeld: lezingencyclus, environment and sustainable development, kinderen en ontwikkeling, education and development). De specialiastie heeft weliswaar een mondiale en comparatieve oriëntatie, maar onderzoekt de genoemde problematiek toch in de eerste plaats vanuit het perspectief van de ontwikkelingslanden.

Beroepsperspectief
De specialisatie Internationale ontwikkelingsstudies is in eerste instantie bedoeld voor degenen die later zelf in een ontwikkelingsland willen gaan werken als onderzoeker, beleidsadviseur of projectmedewerker. De specialisatie is eveneens relevant voor hen die in Nederland of een ander Westers land werkzaam wil zijn op het gebied van de informatieverschaffing over ontwikkelingslanden. Tenslotte is er ook ruimte voor studenten die met de keuze voor Internationale ontwikkelingsstudies louter hun interesse volgen en het zien als een verdieping van hun inzicht in het functioneren van de mondiale samenleving.

De vakken
Studenten kunnen het basisspecialisatievak (Introductory Course) naar keuze in de perioden 1 en 2 van het eerste semester of in de perioden 4 en 5 van het tweede semester volgen.

De specialisatie Internationale Ontwikkelingsstudies bestaat uit de volgende onderdelen met de daarbij vermelde studielast:

Niveau  Naam Onderwijsonderdeel  Aantal EC  Periode 
200  Introductory Course International Development Studies (12 EC)  12  1 en 2
of 4 en 5  
200  Basisspecialisatie Staten en Steden: Politieke en Economische Geographieën van Mondialisering (12 EC)  12  1 en 2 
300  Lecture Series 2012-2013 (12 EC)  12  4 en 5 
300  Spatial implications of environmental change (12 EC)  12  4 en 5 
300  Environment and Sustainable Development (6 EC) 
300  Education and International Development (6 EC) 
300  India: Lecture Series (6 EC) 
300  Children and International Development (6 EC)