In studiejaar 2010-2011 wordt gewerkt met drie curricula voor het geneeskundeonderwijs:
- Curius+: dit betreft de bachelor- en masteropleiding Geneeskunde. Hiervan lopen in het studiejaar 2010-2011 het eerste en tweedie studiejaar van de Bachelor.
- Curius: de ongedeelde opleiding Geneeskunde. Hiervan lopen in het studiejaar 2010-2011 het derde en vierde jaar.
- Curriculum ‘93: de ongedeelde opleiding Geneeskunde, waarvan alleen de coschappenfase in het studiejaar 2010-2011 nog loopt. Voor informatie over dit laatste curriculum wordt verwezen naar de studiegids online op de website van de UVA:
http://studiegids.uva.nl: zoek opleiding (doctoraalopleiding) Geneeskunde en naar Blackboard waar de Onderwijs- en Examenregeling van deze opleiding vermeld staat.
In deze studiegids worden de
onderwijsprogramma's van Curius+ en Curius, de ongedeelde opleiding Geneeskunde, beschreven. In dit hoofdstuk vind je de
uitgangspunten,
opbouw van het curriculum, de doelstellingen en organisatie op globaal niveau. Verderop in de studiegids staat per jaar en onderdeel uitgewerkt wat de inhoud, het leerdoel en de toetsvorm is.
Achtergrond Curius en Curius+
Het
curriculum van de geneeskundeopleiding van het AMC heet Curius. De naam Curius is een samentrekking van een drietal woorden:
-
Curious/curiosity: nieuwsgierig/nieuwsgierigheid/bezienswaardigheid. Dit staat bovendien voor eigen inzicht en zelfwerkzaamheid
-
Cure: genezen
-
Curriculum
Deze kernwoorden staan symbool voor de opleiding Geneeskunde.
Uitgangspunten van Curius en Curius+ curriculum
Het AMC wil goede dokters opleiden die zelfstandig, zelfdenkend en zelfredzaam zijn. Om deze reden heeft het AMC ervoor gekozen om de volgende
uitgangspunten te hanteren:
- Onderwijs aan de hand van patiënten (ziektebeelden, problemen en klachten), waarin preklinische vakken (basisvakken zoals anatomie) en klinische vakken (zoals interne geneeskunde) integraal worden behandeld, maar ook de sociaal geneeskundige en ethische aspecten
- Het onderwijs heeft een duidelijke AMC-signatuur, die gekenmerkt wordt door evidence-based medicine, vaardigheden en kennis op het gebied van klinisch wetenschappelijke methodologie en academische vorming.
- Internationale oriëntatie en aandacht voor multiculturele diversiteit
- Ruimte voor keuzeonderwijs
- Toetsing als mechanisme om het leerproces te stimuleren
- Toenemend gebruik van ICT in het onderwijs
Opbouw
van Curius en Curius+
Het
kerncurriculum bestaat uit:
- Blokonderwijs, met ziektebeelden en biomedische kennis als leidraad
- Klinisch lijnonderwijs, met klachten/patiëntgebonden problemen als leidraad, samengesteld uit:
- Grootschalig lijnonderwijs
- Kleinschalig lijnonderwijs
- Vaardigheidsonderwijs
- Praktijkonderwijs, stages in de kliniek waaronder:
- Verpleeghulpstage
- Junior coassistentschappen
- Coassistentschappen
- Keuzeonderwijs (verbredend en verdiepend)
- Wetenschappelijke stage (onderzoeksvaardigheden)
In de eerste drie studiejaren van dit kerncurriculum zijn drie Rode Draden verweven: Klinische Wetenschappelijke Methodologie, Farmacologie en Farmacotherapie en Professioneel Gedrag (nieuw in Curius+). Deze Rode Draden worden geïntegreerd in blok-, praktijk en lijnonderwijs aangeboden, en worden als onderwerp zo van belang geacht dat er aparte “geoormerkte” toetsing en studiepunten voor bestaan.
Daarnaast kent het curriculum
longitudinale thema’s die niet geoormerkt zijn, maar wel regelmatig in de verschillende curriculumonderdelen als blok, lijn en praktijkonderwijs terugkomen in onderwijs en toetsing. Voor de eerste drie jaar zijn deze thema’s: Imaging, Academische vorming, Moleculaire fysiologie en Populatie epidemiologie. De reden voor deze integratie van Rode Draden en thema’s in het blok, lijn en praktijkonderwijs ligt in het feit dat het beroep van arts vraagt om een interdisciplinaire aanpak.
Vanaf jaar vier wordt deze interdisciplinaire aanpak nog verder doorgevoerd in het curriculum door alle Rode Draden te blijven aanbieden in de verschillende vormen van onderwijs en als thema’s mee te nemen. De onderwerpen vervallen dus niet en worden nog steeds getoetst in het blok, lijn of praktijkonderwijs maar er zijn geen aparte studiepunten meer te behalen. Je kunt alleen slagen voor het betreffende deel door het geheel te beheersen.
Zoals ook blijkt uit de uitgangspunten van Curius en Curius+ hecht het AMC-UvA belang aan academische en wetenschappelijke vorming. Dit komt op verschillende manieren terug in het onderwijs. In de tabel hieronder wordt duidelijk wat er onder academische en wetenschappelijke vorming verstaan wordt en op welke manier het terug komt in het onderwijs. Het keuzeonderwijs van het AMC-UvA heeft als eis dat de vakken moeten voldoen aan een vorm van
academische en/of wetenschappelijke vorming, zoals hieronder vermeld.
| Overzicht aandachtsgebieden Academische & Wetenschappelijke vorming |
| Aandachtsgebieden academische en Wetenschappelijke Vorming
|
Toepassingsgebieden
|
Omschrijving
|
Plaats in het curriculum
|
| Wetenschap
|
Fundamenteel biomedisch onderzoek
Klinisch epidemiologisch onderzoek (‘trials’)
|
Het opstellen van een toetsbare hypothese en het op de juiste wijze opzetten, uitvoeren en analyseren van zowel fundamenteel als klinisch wetenschappelijk onderzoek. Creatief denken en nieuwsgierigheid zijn belangrijke onderdelen.
|
Rode draad Klinische en Wetenschappelijke
Methodologie
|
| Evidence Based Medicine
|
|
Het op de juiste wijze formuleren van een zoekvraag; het kritisch beschouwen (critical appraisal) van informatie en het toepassen van het beste bewijs bij de behandeling van de individuele patiënt. Het kritisch benaderen van al datgene dat als “waarheid” gepresenteerd wordt. [Sackett, 1998].
|
Rode draad Klinische en Wetenschappelijke
Methodologie
|
| Klinisch redeneren
|
|
Op systematische wijze verzamelen en combineren van epidemiologische, pathofysiologische en klinische gegevens om tot een diagnose en plan van aanpak te komen. Het afwegen van voor- en nadelen van het toepassen diagnostiek en therapie [Kassirer, 1991]. Belangrijke aspecten zijn redeneren, analytisch vermogen, besliskunde en logica.
|
Lijnonderwijs: Groot- en kleinschalig klinisch lijnonderwijs
|
| Reflectieve vaardigheden
|
Op het eigen functioneren
Op het eigen leerproces
Op het functioneren van de systemen waarbinnen iemand leeft (b.v. werk, maatschappelijk)
|
Weloverwogen en doelbewust exploreren van ervaringen ter bevordering van het leren, de persoonlijke en professionele ontwikkeling en het verbeteren van het eigen functioneren als arts en de beroepspraktijk [Pee, 2002].
Het kritisch beschouwen van de maatschappelijke context waarbinnen de arts functioneert en de invloed van de ontwikkelingen binnen die context op de eigen rol/ functioneren.
|
Lijnonderwijs:
Vaardigheidsonderwijs
Rode draad Professioneel gedrag
|
| Communicatievaardigheden
|
|
Het op heldere, logische en juist onderbouwde manier weergeven van informatie in mondelinge en schriftelijke vorm. Belangrijke aspecten zijn presenteren, schrijven en debatteren.
|
Lijnonderwijs:
Vaardigheidsonderwijs
|
| Brede intellectuele vorming
|
Wetenschaps-filosofie ‘Philosophy of mind’
Ethiek
Medisch recht
Geschiedenis van de Geneeskunde
|
Inzicht in de aard van verschillende soorten medische kennis. Het zich afvragen wat ‘waarheid’ is.
Structurering van het denken over de samenhang van lichamelijke en psychische processen.
Structurering van het denken over de ethische aspecten van medische beslissingen.
Structurering van het denken over de juridische aspecten van medische beslissingen.
Inzicht hebben in de historische dimensie van belangrijke medische begrippen.
|
Thema Academische vorming
|
|
|
Doelstelling en eindtermen Geneeskunde curriculum, Curius +
De eindtermen van de gehele artsopleiding Curius+ (bachelor- en masteropleiding), zijn neergelegd in het Raamplan 2009.
'Het profiel van de arts is beschreven conform het model CanMEDS-2005 en omvat de volgende 7 rollen c.q. competentiedomeinen:
- Medisch Deskundige
- Communicator
- Samenwerker
- Organisator
- Gezondheidsbevorderaar
- Academicus
- Beroepsbeoefenaar
Voor elk genoemde rol volgt hieronder een korte definitie.
MEDISCH DESKUNDIGE;
de juist afgestudeerde arts als medisch deskundige bezit een breed kennis- en vaardighedenpakket uit het medisch kennisdomein en past dit toe in de medische praktijk. De arts verzamelt en interpreteert gegevens, maakt een probleemanalyse, neemt de juiste klinische beslissingen en voert deze uit met inachtneming van de grenzen van eigen deskundigheid en bekwaamheid. De arts controleert of de gekozen beslissing en bijbehorende uitvoering van voldoende kwaliteit zijn en of het gezochte effect bereikt wordt. De arts levert zorg conform de actuele professionele standaard en waar mogelijk evidence based, ethisch onderbouwd en kostenbewust. De arts communiceert doeltreffend mondeling, schriftelijk, elektronisch met patiënten en hun naasten, en met andere werkers in de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg.
COMMUNICATOR;
de juist afgestudeerde arts als communicator gaat een doeltreffende relatie aan en onderhoudt deze met patiënten, hun naasten en andere werkers in de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg. De arts gebruikt (medisch) communicatieve vaardigheden om hooggekwalificeerde zorg te bieden.
SAMENWERKER;
de juist afgestudeerde arts als samenwerker bouwt een collegiale samenwerking op en werkt doeltreffend samen in een multidisciplinair samenwerkingsverband om te komen tot besluitvorming rond optimale patiëntenzorg, onderwijs en/of onderzoek. De arts werkt doeltreffend samen met patiënten, patiëntengroepen en andere werkers in de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg. De arts brengt informatie over, onderhandelt, geeft leiding, voert consultaties uit en participeert in intercollegiale toetsing.
ORGANISATOR;
de juist afgestudeerde arts als organisator levert een bijdrage aan besluiten over beleid en de toewijzing van beperkte financiële, materiële en personele middelen. De arts stemt op een verantwoorde wijze taken onderling op elkaar af in het werk - op strategisch, tactisch en operationeel niveau - en daarbuiten. De arts prioriteert taken, voert deze, waar nodig in een team, uit en evalueert.
GEZONDHEIDSBEVORDERAAR;
de juist afgestudeerde arts als gezondheidsbevorderaar erkent en bepleit actief het belang van preventieve gezondheidszorg voor de individuele patiënt, patiëntengroepen en de maatschappij. De arts draagt dit belang individueel dan wel in teamverband uit aan beleidsmakers op het terrein van de volksgezondheid en brengt preventieve gezondheidszorg (primair, secundair, tertiair) waar mogelijk in praktijk.
ACADEMICUS;
de juist afgestudeerde arts als academicus levert een wetenschappelijke bijdrage aan de beoordeling, opbouw en begrip van kennis en kunde van de gezondheidszorg. De arts geeft onderwijs en/of bevordert onderwijs aan studenten, patiënten en anderen. De arts neemt klinische beslissingen waar mogelijk op wetenschappelijk verantwoorde wijze, erkent het belang van levenslang leren en fungeert hierin als rolmodel.
BEROEPSBEOEFENAAR;
de juist afgestudeerde arts als beroepsbeoefenaar vervult een unieke maatschappelijke rol om de gezondheid en het welbevinden van de samenleving naar een zo hoog mogelijk niveau te brengen. De arts beoefent de patiëntenzorg volgens de hoogst geldende medische en ethische standaarden. De arts spant zich voortdurend in om de standaarden van zijn vakgebied volledig te beheersen.
PROFIEL VAN DE BACHELOR GENEESKUNDE
Omdat er in de bacheloropleiding voor de student geneeskunde nog geen sprake is van een authentieke (aanvangende) beroepssituatie is een beschrijving van de eindtermen louter in de vorm competenties niet ideaal. Daarom zijn de eindtermen van de bacheloropleiding beschreven in termen van kennis en inzicht, vaardigheden en professioneel gedrag. Samen vormen zij het fundament voor verdere ontwikkeling van de voor de masteropleiding Geneeskunde beschreven competenties.
De bachelor geneeskunde:
- heeft aantoonbaar kennis en inzicht, vaardigheden en professioneel gedrag verworven in relatie tot de voor de juist afgestudeerde arts in het Raamplan 2009 vastgelegde competenties; betreffende de zeven in het Raamplan onderscheiden rollen: medisch deskundige, communicator, samenwerker, organisator, gezondheidsbevorderaar, academicus en beroepsbeoefenaar; daarbij ook de recente ontwikkelingen binnen de voor de geneeskunde relevante wetenschapsgebieden weerspiegelend;
- is in staat om zijn/haar kennis, inzicht en vaardigheden op professionele wijze toe te passen in voor het functioneren binnen de gezondheidszorg en de medische wetenschappen relevante oefensituaties;
- is in staat om relevante gegevens op het gebied van de medische wetenschappen te verzamelen en te interpreteren met het doel een oordeel te vormen dat mede gebaseerd is op het afwegen van relevante sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke en ethische aspecten;
- is in staat om informatie, ideeën en oplossingen over te brengen op een publiek met of zonder medisch deskundigen;
- bezit de leervaardigheden die noodzakelijk zijn om een vervolgstudie die een hoog niveau van autonomie veronderstelt aan te gaan.
De onderstaande eindtermen zijn behaald na afronding van de ongedeelde opleiding Geneeskunde (Curius):
1. Heeft zich het proces van het medisch probleemoplossen eigen gemaakt.
De arts is in staat tot medische besluitvorming. Hij/zij moet beschikken over zodanige kennis en vaardigheden dat hij/zij alle voorkomende patiëntenproblemen kan aanpakken. Met dit ‘aanpakken’ wordt bedoeld de vaardigheid van het systematisch werken, het hanteren van het juiste (diagnostische) proces, aangepast aan de soort hulpvraag en het kiezen van het juiste beleid voor het probleem. Dit beleid kan ook inhouden de beslissing niet zelfstandig te handelen.
2. Bezit een breed kennis- en vaardighedenpakket en is in staat elke vervolgopleiding in te gaan en in staat met andere disciplines/hulpverleners samen te werken.
In de opleiding tot arts heeft hij/zij kennis en ervaring opgedaan, steunend op basis- en gedragswetenschappelijke vakken, van aspecten van zowel algemene als speciële gezondheidszorg. Daarnaast heeft hij/zij inzicht gekregen in de structuur van de gezondheidszorg. De kennis en vaardigheden die op dit brede vlak zijn opgedaan stellen de arts in staat elke vervolgopleiding in te gaan. Deze brede vooropleiding is tevens een voorwaarde om bij de latere beroepsuitoefening met andere hulpverleners en hulpverlenende instanties te kunnen communiceren en samen te werken.
3. Is wetenschappelijk gevormd.
De arts is wetenschappelijk gevormd en handelt daarnaar. Hierdoor onderscheidt hij/zij zich van de niet-universitair opgeleide, medische hulpverleners. Hij/zij heeft zich de grondbeginselen van wetenschappelijk onderzoek eigen gemaakt, niet alleen in de vorm van theoretische kennis, maar ook als praktische ervaring door actieve deelname aan een wetenschappelijk onderzoeksproject. Hij/zij kan wetenschappelijke gegevens kritisch benaderen en is in staat zelfstandig een mening te vormen. Hij/zij heeft een redelijk beeld in hoeverre het medisch handelen wetenschappelijk gefundeerd is en in hoeverre dat niet het geval is. Hij/zij is in staat de wetenschappelijke onderbouwing van het medisch handelen na te trekken en in staat informatie over te dragen aan anderen.
4. Vertoont professioneel gedrag
.
Om als arts te functioneren wil hij/zij zich inzetten en voelt zich verantwoordelijk voor het lichamelijke, geestelijke en sociale welzijn van mensen. Hij/zij beschikt over sociale en communicatieve vaardigheden: gaat met respect om met de patiënt ongeacht diens sekse, ras, levensfase, sociale en economische status, opleiding, cultuur, seksuele geaardheid en levensovertuiging. Tevens kan hij/zij in een voor de patiënt duidelijke formulering informatie overbrengen en kan zich voldoende inleven in de patiënt en zijn/haar omgeving. Om als arts te functioneren heeft hij/zij geleerd eigen verantwoordelijkheid te dragen en zelfstandig medische beslissingen te nemen, voor zover zijn/haar kennis en ervaring hiervoor toereikend zijn en met inachtneming van medisch-ethische aspecten. Deze klinische vorming stelt hem/haar in staat om actief deel te nemen aan het bevorderen en in stand houden van de volksgezondheid: het voorkomen van ziekte en handicap, het bijdragen aan genezing en herstel van zieken, het verlichten van lijden en ongemak en het begeleiden van zieken en hun omgeving/leefsituatie. Hij bezit een kritische kijk op zijn eigen medisch handelen en dat van anderen en is zich bewust van zijn verantwoordelijkheid voor het functioneren van de gezondheidszorg als organisatie waarbij rekening wordt gehouden met financiële, logistieke en andere beperkende factoren binnen de gezondheidszorg. Hij/zij beseft dat om een kwalitatief goede zorg te kunnen bieden en de continuïteit in die zorg te kunnen waarborgen een goede samenwerking met andere disciplines/hulpverleners noodzakelijk is. Om als arts te kunnen blijven functioneren is hij/zij zich bewust van de noodzaak van voortdurende nascholing en toetsing.
5. Is flexibel: kan op ontwikkelingen inspelen.
Van de arts kan worden verwacht dat hij/zij kennis, vaardigheden en attitudes zal aanpassen aan de zich wijzigende gezondheidszorg, aan de wetenschappelijke en maatschappelijke mogelijkheden en ontwikkelingen en aan de economische, juridische en ethische grenzen. Hij/zij dient op de hoogte te blijven van deze ontwikkelingen.
6. Is wettelijk bevoegd en bekwaam (met inachtneming van eigen grenzen) medisch te handelen en draagt hier verantwoordelijkheid voor.
Volgens de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) is de arts formeel bevoegd om de geneeskunde voor wat betreft de voorbehouden handelingen uit te oefenen, zijn/haar bekwaamheid vormt in deze echter de begrenzing voor zijn medisch handelen.
7. Is geschoold in evidence based medicine.
Evidence based medicine is het nauwkeurig, expliciet en oordeelkundig gebruik maken van het op dit moment best beschikbare bewijs, d.w.z. klinisch relevant onderzoek, bij het nemen van besluiten over zorg van individuele patiënten.' (Raamplan 2009)
Organisatorische opbouw van Curius/ Curius+
De eerste drie jaar van de opleiding zijn opgebouwd volgens de 8-8-4 blok structuur zoals de UvA die hanteert. Het semester start met 2 acht weekse blokken en daarachteraan een vier weeks blok. Deze indeling bevordert de uitwisseling tussen faculteiten van de UvA voor het keuzeonderwijs. Het vierde, vijfde en zesde jaar (in zowel Curius als Curius +) bestaan met name uit co-schappen en wetenschappelijke stage en bovenstaande structuur wordt dan losgelaten. Uitwisseling met andere faculteiten van de UvA is dan ook niet meer aan de orde.
De omvang van de studie-onderdelen wordt uitgedrukt in european credits (EC), waarbij 1,4 EC overeenkomt met een tijdsbesteding van 40 studie-uren voor de gemiddelde student. Ieder jaar bestaat uit 60 EC.
Na het eerste jaar krijgt iedere student een studieadvies van de Examencommissie. Er geldt ook een overgangsregeling voor de overgang van jaar 1 naar 2, te vinden op Blackboard - Algemeen - Formulieren en regelingen.
De Bacheloropleiding Geneeskunde wordt afgesloten met een bachelordiploma Geneeskunde, waarvoor alle studieonderdelen van de eerste drie jaar met goed gevolg moeten zijn afgelegd. Met dit diploma kun je zonder voorwaarden doorstromen naar de masteropleiding Geneeskunde AMC-UvA. Het is ook mogelijk om een andere masteropleiding te kiezen, echter voor de meeste andere masteropleidingen zul je aan aanvullende eisen moeten voldoen. Wil je daadwerkelijk doorstromen naar een andere masteropleiding dan Geneeskunde, neem dan zo spoedig mogelijk contact op met de betreffende opleiding.
De ongedeelde opleiding Geneeskunde, Curius, kent 3 diploma’s: het propedeusediploma, het doctoraaldiploma en het artsdiploma. Voor de propedeuse moeten alle studieonderdelen van jaar 1 met goed gevolg zijn afgelegd. Het artsdiploma wordt formeel aan het einde van de opleiding uitgereikt, wanneer alle studieonderdelen met goed gevolg zijn afgelegd. Na 240 EC (= vier studiejaren) wordt tussentijds een doctoraaldiploma verstrekt.